Citaat | Parket bij de Hoge Raad 29 maart 2016

Onder 30 Parket bij de Hoge Raad 29 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 29 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:568.

De winst die de medeverdachte [medeverdachte 1] behaalt valt deels bij [D] BV en deels bij [E] NV neer. Echter, het zijn rechtspersonen die, zowel commercieel als fiscaal met elkaar hebben te handelen ‘at arm’s length’. Dus als zakelijke, onafhankelijke derden. Een verdeling van de winst over beide rechtspersonen ligt dan niet voor de hand. Immers, beide vennootschappen worden (direct of indirect) bestuurd door de medeverdachte [medeverdachte 1] en beschikken daarmee over zijn kennis van de aankoopsom die Fortis zal betalen. De gehele winst had dan ook door [D] BV gerealiseerd moeten worden, voor een ‘gunnen’ of toedelen van een deel aan [E] NV (door het pakket voor een te lage prijs te verkopen zodat [E] er ook nog winst op kon maken) is geen enkele reden. Dat maakt dat het tussenschuiven van [D] voor de hand liggende vragen oproept die de verdachte (in zijn MOT-notities) negeert. Zijn verwijzing naar de betrokkenheid van gerenommeerde partijen als Philips en Fortis faalt, nu die geen betrokkenheid hadden bij de tussenschakels.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4fd5d36fc6dd9b0f1705e6b3795db8b937264dcc48b9c220746094928361099f. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4fd5d36fc6dd9b0f1705e6b3795db8b937264dcc48b9c220746094928361099f, en de alinea staat in dat document op bytes 52053 tot 53120.