Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Onder 3.8.2 Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:57.
Deze invulling van bekendheid als ‘daadwerkelijke bekendheid’ strookt met de vaste rechtspraak over art. 3:310 lid 1 BW, waarin zij ook nader is uitgewerkt. Bij art. 3:310 lid 1 BW gaat het om bekendheid met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De eis van daadwerkelijke bekendheid betekent dat het enkele vermoeden van het bestaan van schade niet volstaat. Deze verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Bepalend is welke feiten en omstandigheden bekend zijn, en niet of bekendheid bestaat met de juridische beoordeling daarvan. Het antwoord op de vraag op welk tijdstip de verjaringstermijn is gaan lopen, is afhankelijk van alle ter zake dienende omstandigheden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/955b34c25a8e9bda1544f83add5f75b544a1e4a6adf2f4bff53b57e6aeda7830. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 955b34c25a8e9bda1544f83add5f75b544a1e4a6adf2f4bff53b57e6aeda7830, en de alinea staat in dat document op bytes 29887 tot 31080.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/955b34c25a8e9bda1544f83add5f75b544a1e4a6adf2f4bff53b57e6aeda7830 | shasum -a 256