Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Onder 2.6. Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:58.

Ieder die kennis draagt van een begaan strafbaar feit is bevoegd daarvan aangifte te doen (art. 161 en 163 Sv). Het is niet nodig, bij de aangifte een vermoedelijke dader aan te wijzen. Sterker nog: meestal is dat niet eens mogelijk. Uit de inhoud van een aangifte kan wel volgen dat de aangever van mening is dat het door hem aangegeven feit is begaan door een of meer bepaalde personen. In die situatie zal het opsporingsonderzoek zich ten minste richten op gedragingen van die persoon of personen, al zal een verstandige opsporingsambtenaar zich niet klakkeloos laten leiden door de mening of door de mededelingen van een aangever. In het strafprocesrecht heeft een kwalificatie als ‘verdachte’ gevolgen voor de rechtspositie van de persoon die als verdachte is aangemerkt, in het bijzonder voor de bevoegdheden die door politie en justitie tegen die persoon kunnen worden ingezet. Zo maakt het bijvoorbeeld verschil, of iemand als verdachte dan wel als getuige door de politie wordt verhoord. Taalkundig kunnen de woorden ‘verdachte’ en ‘wordt verdacht van …’ ook worden gebruikt in een zuiver feitelijke betekenis, dat wil zeggen in een betekenis zonder rechtsgevolg. Dan gaat het, bijvoorbeeld, om degene die volgens de aangever het feit zou hebben gepleegd: ‘aangifte tegen iemand doen’.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ad44d0bc6dec0012b753a283be61640f8fef6a8481cbdb48b793e0c5b1c6a9f9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ad44d0bc6dec0012b753a283be61640f8fef6a8481cbdb48b793e0c5b1c6a9f9, en de alinea staat in dat document op bytes 18452 tot 19777.