Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Alinea 164 Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 april 2016, ECLI:NL:PHR:2016:640.

30. De tweede klacht van het middel treft evenmin doel. Vooropgesteld moet worden dat ook in ontnemingszaken geldt hetgeen is overwogen in HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496, NJ 2014/441 rov. 2.73 en 2.76, te weten – ik vat samen – dat het in de cassatieprocedure niet meer gaat om het al dan niet oproepen of horen van getuigen maar uitsluitend om de toetsing van de beslissingen van de feitenrechter dienaangaande. Bij een afwijzing van een verzoek tot het oproepen van getuigen wordt in cassatie beoordeeld of de beslissing begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. Hoewel deze overwegingen zijn toegespitst op de regeling in het Nederlandse Wetboek van Strafvordering en de landen in het Caribisch gedeelte van ons Koninkrijk hun eigen Wetboek van Strafvordering hebben, vermag ik gelet op de inhoud van de hierboven aangehaalde artikelen 289 en 318 SvNA niet in te zien waarom die overwegingen in cassatie niet in overeenkomstige zin zouden gelden voor – kort gezegd – Antilliaanse zaken.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee57ae6bdeb73e54c09f0cc9a0b247673d9cd557e49a51c54aa1a135d27f0d74. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee57ae6bdeb73e54c09f0cc9a0b247673d9cd557e49a51c54aa1a135d27f0d74, en de alinea staat in dat document op bytes 45224 tot 46547.