Citaat | Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016

Onder 3.8. Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 17 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:677.

Van een verhoor in de aldus opgevatte zin is geen sprake, zo kan uit de jurisprudentie over art. 29 Sv worden afgeleid, als het gaat om ‘spontane’ verklaringen van de verdachte. Volgens de Hoge Raad [vindt de] “stelling dat iedere verklaring welke door een als verdachte aangemerkt persoon wordt afgelegd 'ten directe overstaan van politie', zeker die verklaring welke een bekentenis inhoudt betreffende de betrokkenheid bij een strafbaar feit, als verhoor dient te worden aangemerkt, […] geen steun in het recht. Men hoeft dus sommige uitingen van de verdachte niet als resultaat van een verhoor op te vatten. Men kan zo’n fenomeen gemakshalve als een ‘spontane’ verklaring betitelen. Maar spontaan betekent hier niet veel anders dan dat de verklaring niet kan (of: moet) worden aangemerkt als te zijn afgelegd naar aanleiding van vragen omtrent zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit. Dat kan er in zitten dat nog van geen enkel strafbaar feit een verdenking bestaat: de klassieke casus van de (ambtshalve aan de politie bekende) persoon verslaafde aan wie door de politie op straat gevraagd werd wat er in zijn plastic tas zat. Na het antwoord: vier boeken , volgde de vraag van de verbalisant waar hij deze vandaan had. Het antwoord dat hij de boeken had gestolen behoefde niet als resultaat van een verhoor te worden aangemerkt aangezien op het moment van aanspreken van de betrokken persoon deze nog niet noodzakelijkerwijs als verdachte behoefde te worden aangemerkt. Een variant daarop is het geval van de persoon die al wel als verdachte van een strafbaar feit is aangemerkt, maar die ‘spontaan’ over een ander strafbaar feit verklaart. In HR 15 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8773, NJ 2012/398 was de verdachte aangehouden voor overtreding van de Wet Wapens en Munitie, en in een politiebusje naar het bureau werd vervoerd. In het busje stelde hij dat hij iets “heel ergs had gedaan”. Op vragen naar wat dat dan was verklaarde hij dat hij zijn vriend had doodgestoken. De vraag die zich aandiende was of de verdachte niet eerst in de gelegenheid gesteld had moeten worden om gebruik te maken van zijn recht om voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen, zoals uit het (eerste) Salduz–arrest van de Hoge Raad voortvloeide. De Hoge Raad ging het echter – kort gezegd – akkoord met het oordeel van het hof dat de aan de verdachte gestelde vragen niet konden worden aangemerkt als vragen betreffende diens betrokkenheid bij een geconstateerd strafbaar feit en hij bijgevolg nog geen aanspraak had op de raadpleging van een advocaat. Het betrof hier dus een verklaring die niet was geïnitieerd door een vraag naar het betreffende strafbare feit. Wel over de grens was het (al oudere) geval uit HR 9 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1652, NJ 2000/40. De verdachte was na constatering door de politie dat hij geen autogordel droeg met grote snelheid weggereden, in plaats van het politievoertuig te volgen. Nadat de verdachte was achterhaald antwoordde hij op de vraag waarom hij was doorgereden dat er twee kilo speed in zijn auto lag. De Hoge Raad overwoog:

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/930a30af97454e8a028e105aaf2584817f03b7f95bd9eed911486eac2420276a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 930a30af97454e8a028e105aaf2584817f03b7f95bd9eed911486eac2420276a, en de alinea staat in dat document op bytes 17594 tot 20977.