Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016

Onder 6.8. Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:683.

De vraag is of ook het vereiste opzet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Ik stel daarbij voorop dat naar mijn mening niet kan worden uitgegaan van de ‘algemene ervaringsregel’ dat een hoofdbewoner van een woning die toegang heeft tot alle vertrekken in die woning, bekend is met de aanwezigheid van de zich in die woning bevindende voorwerpen. Die regel gaat misschien op in een geval waarin de persoon in kwestie de enige bewoner is, maar niet in een geval als het onderhavige, waarin uit de bewijsmiddelen blijkt dat behalve de verdachte ook haar broer, haar zoon en haar dochter een sleutel hadden van de woning en dat de verdachte ook andere personen binnenliet in de woning. Daarbij komt dat het in de onderhavige zaak gaat om drugs. Wie drugs in een woning voorhanden heeft, pleegt dat immers te verbergen voor andere bewoners die daarmee niets te maken hebben. Het kan dus heel wel zijn dat de ene bewoner geen weet heeft van de drugs die een andere bewoner heeft verstopt. Tegelijk volgt uit het voorgaande dat er iets bijzonders aan de hand is als de drugs niet voor de andere bewoners verborgen worden gehouden. Dat gegeven vormt een sterke indicatie dat alle bewoners op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de drugs.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/a2e2bd190b0ac63aa2438c831fa0f00f16728ed27960af6571f7a24a06e23442. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt a2e2bd190b0ac63aa2438c831fa0f00f16728ed27960af6571f7a24a06e23442, en de alinea staat in dat document op bytes 39040 tot 40359.