Citaat | Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016

Onder 7.7. Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 24 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:684.

De vraag is daarbij wel of een vordering tot vergoeding van shockschade zich leent voor behandeling in het strafgeding. De Hoge Raad heeft meermalen in cassatie de benadeelde partij in een dergelijke vordering om doelmatigheidsredenen niet-ontvankelijk verklaard, “omdat reeds thans vaststaat dat de vordering van de benadeelde partij ter zake van shockschade niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering niet zo eenvoudig van aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding , dan wel een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert ". Hoewel de gebezigde formulering algemeen klinkt (een “dergelijke vordering” leent zich niet voor behandeling in het strafgeding), meen ik dat daaruit niet kan worden afgeleid dat er in het strafproces in het geheel geen ruimte is voor toewijzing van een vordering ter zake van shockschade in een strafzaak. In de bedoelde arresten klaagde het middel volgens de kernachtige samenvatting die de Hoge Raad daarvan gaf, over de toekenning van de vordering. De Hoge Raad beoordeelde eerst of die toekenning toereikend was gemotiveerd. Dat was niet nodig geweest als de Hoge Raad de opvatting is toegedaan dat voor die toekenning sowieso geen plaats is in het strafgeding. Dan volgt daaruit al dat de vordering ten onrechte is toegewezen. De doelmatigheidsafdoening volgde pas nadat was geoordeeld dat de toekenning een deugdelijke onderbouwing miste. De overweging dat “een dergelijke vordering” zich niet voor behandeling door de strafrechter leent, moet denk ik in het licht van dat oordeel gelezen worden. Steun voor die duiding kan gevonden worden in HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2858, NJ 2016/70. De Hoge Raad overwoog daarin dat “mede gelet op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte is aangevoerd met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van shockschade, moet worden aangenomen dat reeds thans vaststaat dat de benadeelde partij in deze vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard op de grond dat een dergelijke vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.” Hier is overduidelijk sprake van een casus gebonden oordeel. Gewezen kan ook worden op HR 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:528, NJ 2014/183. In dit arrest had het hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering wegens shockschade. De Hoge Raad oordeelde dat die beslissing niet onbegrijpelijk was. Dat impliceert dat zij ook onbegrijpelijk had kunnen zijn.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7de5213e4e070fda8275f13a7226172572fc7b5c28178a181941344116bf8a09. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7de5213e4e070fda8275f13a7226172572fc7b5c28178a181941344116bf8a09, en de alinea staat in dat document op bytes 91058 tot 93735.