Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016
Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:71.
Het hof heeft in rov. 4.11.2 overwogen dat de schending van de eer en de goede naam van Dahabshiil zich in een groot aantal landen, waaronder Nederland, kan voordoen, omdat de websites waarop de gestelde diffamerende mededelingen zijn geplaatst wereldwijd raadpleegbaar zijn. Op grond van art. 4 lid 1 Rome II zou toepassing van het recht van het ‘Erfolgsort’ in het onderhavige geval leiden tot toepassing van verschillende rechtsstelsels. Het hof heeft naar een oplossing gezocht om deze mozaïekbenadering te vermijden en heeft derhalve voor de uitleg van de in art. 4 lid 1 Rome II gebruikte zinsnede ‘het recht van het land waar de schade zich voordoet’ aansluiting gezocht bij de uitleg van het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ in art. 5 sub 3 EEX-Vo. Het hof heeft voor deze aansluiting inspiratie gevonden in het reeds aangehaalde arrest van het HvJ inzake eDate , waarin het ging om de uitleg van art. 5 sub 3 EEX-Vo in het geval van een beweerde schending van persoonlijkheidsrechten door op internet geplaatste contents. In deze prejudiciële beslissing heeft het HvJ erop gewezen dat de publicatie van een content op een website zich onderscheidt van de tot een bepaald gebied beperkte verspreiding van een medium als een drukwerk, doordat de content in beginsel overal tegelijk beschikbaar moet zijn. Het HvJ voegt daaraan toe dat een content door een onbepaald aantal internetgebruikers overal ter wereld onmiddellijk kan worden ingezien, ongeacht of de uitgever de bedoeling had dat hij buiten zijn lidstaat van vestiging beschikbaar zou zijn en zonder dat hij daar invloed op zou hebben (rov. 45). Voorts heeft het HvJ overwogen dat internet het nut van het verspreidingscriterium beperkt, omdat de reikwijdte van de verspreiding van contents via internet in beginsel wereldwijd is en het technisch niet altijd mogelijk is om die verspreiding met zekerheid en betrouwbaarheid voor een bepaalde lidstaat in cijfers uit te drukken, en dus evenmin om de uitsluitend in die lidstaat berokkende schade te evalueren (rov. 46). Het HvJ overweegt dat de gevolgen van een op internet geplaatste content voor de persoonlijkheidsrechten van een persoon het best kunnen worden beoordeeld door het gerecht van de plaats waar het beweerde slachtoffer het centrum van zijn belangen heeft (rov. 48). Het HvJ heeft vervolgens voor recht verklaard:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5ea24ae31b69c3da50070d14575d904c8e94a464b33b0e1b9bf7138f125693b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5ea24ae31b69c3da50070d14575d904c8e94a464b33b0e1b9bf7138f125693b9, en de alinea staat in dat document op bytes 29254 tot 31758.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5ea24ae31b69c3da50070d14575d904c8e94a464b33b0e1b9bf7138f125693b9 | shasum -a 256