Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Alinea 29 Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:732.
Voor en ten tijde van het tenlastegelegde hebben verdachte en [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) een relatie. Op enig moment vertelt verdachte aan [medeverdachte] dat zij last heeft van iemand en dat zij er niet meer tegen kan. Verdachte deelt [medeverdachte] mede: “Ik ken een jongen en door hem ben ik verkracht. En hij chanteert mij.” Voorts laat verdachte aan [medeverdachte] weten dat zij niet met rust wordt gelaten door deze jongen. Vervolgens belt [medeverdachte] met de bewuste “jongen”, genaamd [slachtoffer] . [medeverdachte] laat [slachtoffer] in een normaal verlopen telefoongesprek weten dat hij verdachte beter met rust kan laten.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ebf6f1970c2d31e047291d1de194cdb0bcdc02d97605efe12d79ba8e1dddf833. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ebf6f1970c2d31e047291d1de194cdb0bcdc02d97605efe12d79ba8e1dddf833, en de alinea staat in dat document op bytes 12569 tot 13243.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ebf6f1970c2d31e047291d1de194cdb0bcdc02d97605efe12d79ba8e1dddf833 | shasum -a 256