Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016
Onder 6.7 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:736.
27. Het aanvaarden van art. 6 EVRM als grondslag voor het recht op verhoorbijstand betekent dat bij de vormgeving daarvan aan de eisen van deze bepaling zal moeten worden voldaan. Toetsing aan het bepaalde in de Richtlijn is naar mijn mening niet aan de orde totdat de implementatietermijn is verstreken. In het eerder genoemde arrest van 1 april 2014 overwoog de Hoge Raad dat in art. 15 van de Richtlijn is bepaald dat de implementatietermijn loopt tot 27 november 2016 en dat zulks meebrengt dat tot die datum geen rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen aan de inhoud van de Richtlijn kunnen worden ontleend. Ik zie geen reden aan te nemen dat het decemberarrest hierin verandering heeft gebracht. De erkenning van het recht op verhoorbijstand in dat arrest vindt, zoals opgemerkt, haar grondslag in art. 6 EVRM. In het decemberarrest wordt herhaaldelijk benadrukt dat de Richtlijn nog niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd, terwijl de implementatietermijn van de Richtlijn nog niet is verstreken. De aanvaarding van het recht op verhoorbijstand brengt dan ook niet zonder meer mee dat met ingang van 1 maart 2016 rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen aan de inhoud van de Richtlijn kunnen worden ontleend. Voor een rechtstreeks beroep op de bepalingen van de Richtlijn ontbreekt thans een grondslag. Daarbij sluit aan dat de Hoge Raad in rov. 6.4.2 van het decemberarrest overweegt dat het rechtsgevolg dat aan de afwezigheid van de raadsman bij het verhoor moet worden verbonden niet noodzakelijkerwijs hoeft te bestaan uit bewijsuitsluiting zolang de Richtlijn nog niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd dan wel de implementatietermijn van de Richtlijn nog niet is verstreken. Voorts roep ik in herinnering dat de aanscherping van de regels betreffende de rechtsbijstand mede is ingegeven door de wens prejudiciële procedures bij het Hof van Justitie van de Europese Unie te voorkomen. Ook tegen die achtergrond ligt het niet voor de hand dat de Hoge Raad met het decemberarrest heeft willen bewerkstelligen dat reeds vanaf 1 maart 2016 rechtstreeks werkende rechten of verplichtingen aan de inhoud van de Richtlijn kunnen worden ontleend. Daarmee zou immers juist de deur worden geopend voor prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5aced184f56e804e3ab84f939046397233109b6cd13ae4ed4344593f8831ba60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5aced184f56e804e3ab84f939046397233109b6cd13ae4ed4344593f8831ba60, en de alinea staat in dat document op bytes 63445 tot 65817.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5aced184f56e804e3ab84f939046397233109b6cd13ae4ed4344593f8831ba60 | shasum -a 256