Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Alinea 156 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:736.

39. Uit de wettelijke regeling blijkt dat de rol van de raadsman in het kader van de verhoorbijstand kort samengevat erin bestaat erop toe te zien dat het recht van de ondervraagde persoon zich niet te incrimineren wordt geëerbiedigd en dat deze al dan niet zijn zwijgrecht kan uitoefenen, niet ongeoorloofd onder druk wordt gezet en ook overigens op rechtmatige wijze wordt verhoord. Uit de tekst van de bepaling wordt niet duidelijk of de advocaat daartoe tijdens het verhoor mag interveniëren. In de wet staat enkel dat hij in het proces-verbaal melding kan laten maken van de schendingen die hij meent te hebben vastgesteld en dat hij – in beginsel eenmalig – mag verzoeken om schorsing van het verhoor teneinde met zijn cliënt te overleggen. In de toelichting op het voorstel tot invoering van de Salduz-wet wordt opgemerkt dat uit de rechtspraak van het Europese Hof niet duidelijk wordt of de advocaat een recht van interventie heeft tijdens het verhoor of dat ermee kan worden volstaan dat de advocaat zijn opmerkingen op een later moment formuleert. Volgens de indieners van het wetsvoorstel lijken de lidstaten hierin vrijheid te hebben. Niet toegelaten achten zij dat de advocaat pleidooi houdt, juridische betwistingen opwerpt en in discussie treedt met de verbalisanten. Voorts mag hij het verhoor niet doen ophouden of beïnvloeden, maar moet hij zich terughoudend opstellen, zodat het verhoor zijn normale voortgang kan hebben. De advocaat mag tijdens het verhoor niet met de verdachte praten, fluisteren, overleg plegen en contact hebben door bijvoorbeeld tekens te geven, terwijl hij niet mag antwoorden in plaats van de verdachte en zich niet mag verzetten tegen het stellen van een vraag. In de wet is uiteindelijk opgenomen wat de raadsman wel mag: eenmalig verzoeken om schorsing of verzoeken om schorsing als nieuwe feiten aan het licht komen en verzoeken om in het proces-verbaal melding te maken van zijn opmerkingen over schending van de drie hiervoor benoemde punten. Eén en ander is volgens het Hof van Cassatie niet in strijd met art. 6, derde lid, onderdeel c, EVRM. Op 24 januari 2012 oordeelde het Hof van Cassatie dat art. 6 EVRM, zoals uitgelegd door het Europese Hof, niet bepaalt dat de raadsman tijdens het verhoor – in dit geval bij de onderzoeksrechter - advies mag geven aan de verdachte of inspraak krijgt in het verhoor door de onderzoeksrechter. Een expliciete voorziening voor het wegsturen van de advocaat in gevallen waarin deze zich niet aan de regels van het verhoor houdt, heb ik niet aangetroffen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5aced184f56e804e3ab84f939046397233109b6cd13ae4ed4344593f8831ba60. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5aced184f56e804e3ab84f939046397233109b6cd13ae4ed4344593f8831ba60, en de alinea staat in dat document op bytes 82617 tot 85314.