Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Onder 8.5. Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:747.

Met de steller van het middel meen ik dat het hof in zijn overwegingen in het bijzonder aandacht heeft besteed aan de eerste fase die zich heeft afgespeeld in de woning van medeverdachte [medeverdachte] en in welke fase verdachte en zijn medeverdachten het slachtoffer onder meer tegen zijn hoofd hebben geschopt en geslagen. Het hof heeft echter geen blijk gegeven bij zijn oordeel te hebben betrokken dat, zoals door de advocaat-generaal in het requisitoir is uiteengezet, de voorbedachte raad ook kan zijn ontstaan in de zogeheten tweede fase, dat is de fase die zich heeft afgespeeld tussen het einde van de geweldshandelingen en het wegbrengen van de gewonde [slachtoffer] . Gelet op de feitelijke omstandigheden die de advocaat-generaal op dit punt heeft aangevoerd, te weten dat uit de chronologie van de gebeurtenissen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten anderhalf uur de tijd hebben gehad om zich te kunnen beraden op het nemen of het genomen besluit en niet hebben gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, behoeft het oordeel van het hof dat geen sprake is van voorbedachte raad, nadere motivering. Dit klemt temeer omdat uit de feitelijke vaststellingen van het hof, zoals hiervoor onder 5.4 weergegeven, blijkt dat ook het hof heeft aangenomen dat verdachte en zijn medeverdachte, nadat het geweld tegen [slachtoffer] is gestopt, gedurende geruime tijd de woning hebben schoongemaakt en vervolgens het slachtoffer in de kofferbak van een auto naar een afgelegen plek hebben gebracht. Zoals uit de jurisprudentie van de Hoge Raad omtrent de voorbedachte raad valt af te leiden zijn met name de planmatigheid in de voorbereidende fase gecombineerd met het tijdsverloop tussen het moment waarop kan worden vastgesteld dat het besluit tot het ombrengen van het slachtoffer is genomen en de uitvoering van het voornemen, belangrijke factoren voor het kunnen aannemen van voorbedachte raad. Voorts is van belang dat de omstandigheid dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat weliswaar een “contra-indicatie” vormt ten opzichte van de – objectieve – vaststelling dat voldoende tijd is verstreken om de voorbedachte raad tot stand te laten komen, maar dat de gang van zaken onderhavige zaak afwijkt van de gevallen, waarin de uitvoering van het feit zich zonder noemenswaardige onderbreking afspeelt. De onderhavige zaak vertoont juist gelijkenis met die in HR 27 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:3167 , waarin het hof bij de levensberoving de handelingen van de verdachte (ook) in twee fasen had onderscheiden: eerst het tapen en vastbinden van het slachtoffer en het vervolgens – na het voeren van een telefoongesprek – in hulpeloze toestand achterlaten van het slachtoffer. De Hoge Raad overwoog: “'s Hofs oordeel dat de verdachte "met voorbedachte raad" heeft gehandeld, is, ook gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3 is voorgesteld, toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen 's Hofs op bovenstaande overwegingen gebaseerde oordelen over een relevante langdurige tijdspanne en over het samenstel van gedragingen en de verschillende beslismomenten die zij in zich hadden.” Gelet op de ook in de onderhavige zaak relevant lijkende tijdsspanne en de verschillende beslismomenten had het hof naar ik meen meer aandacht moeten besteden aan het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7c1751d818b62001bae37c362f66ebd56d6caaf015e2040e9da615740509e5e8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7c1751d818b62001bae37c362f66ebd56d6caaf015e2040e9da615740509e5e8, en de alinea staat in dat document op bytes 52599 tot 56174.