Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016

Onder 2.5 Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:75.

In de kern gaat het om de beantwoording van de vraag of na intrekking van een kort geding door de eisende partij een grondslag bestaat voor een veroordeling van de eisende partij in de kosten die gedaagde heeft gemaakt in verband met (de voorbereiding van) het kort geding. De intrekking dan wel beëindiging van een kort geding is als zodanig niet in de wet geregeld, wel in het Procesreglement. Een wettelijke grondslag zou kunnen worden gevonden in de voorschriften voor de reguliere dagvaardingsprocedure, die op de voet van de schakelbepaling van art. 78 Rv ook in kort geding gelden. In de parlementaire geschiedenis is geen aanknopingspunt te vinden voor het antwoord op de vraag of gelet op de schakelbepaling van art. 78 Rv de regeling omtrent verval van aanhangigheid (art. 125 en 127 Rv) en/of de regeling van afstand van instantie (art. 249 en 250 Rv) van overeenkomstige toepassing is/zijn op de intrekking van een kort geding door de eisende partij . Rechtspraak en literatuur zijn verdeeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56c7f503e6895dc4acfaef791c80815d7d68649d71be1e89cae0d1cdd660f96c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56c7f503e6895dc4acfaef791c80815d7d68649d71be1e89cae0d1cdd660f96c, en de alinea staat in dat document op bytes 24480 tot 25562.