Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016
Onder 2.21 Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:75.
In de rechtspraak van de feitenrechters over (eventuele) analoge toepassing van de art. 249-250 op het kort geding vormt het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof Den Haag van 25 november 2014 een duidelijke cesuur. Tot die uitspraak is geoordeeld dat na de intrekking van een kort geding de door gedaagde gemaakte proceskosten niet kunnen worden toegewezen omdat art. 249 Rv niet van overeenkomstige toepassing is . Volgens de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht is intrekking van een kort geding een aparte, niet in de wet geregelde, rechtsfiguur, hetgeen een rechtstreeks beroep op art. 249 lid 2 verhindert. Voor zover het voorschrift zich zou lenen voor analogische toepassing op kortgedingprocedures, worden op de voet van art. 249 Rv alleen kosten voor proceshandelingen vergoed en niet kosten ter voorbereiding van proceshandelingen en valt niet in te zien waarom dat voor een kort geding anders zou moeten zijn, aldus de voorzieningenrechter in de rechtbank Utrecht .
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/56c7f503e6895dc4acfaef791c80815d7d68649d71be1e89cae0d1cdd660f96c. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 56c7f503e6895dc4acfaef791c80815d7d68649d71be1e89cae0d1cdd660f96c, en de alinea staat in dat document op bytes 39771 tot 40903.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/56c7f503e6895dc4acfaef791c80815d7d68649d71be1e89cae0d1cdd660f96c | shasum -a 256