Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2016
Onder 5.19 Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:755.
Wat is te verstaan onder een ‘kind’ in de zin van de Wet IB 2001, is niet alleen in die wet zelf geregeld. Art. 2, lid 3, onderdeel i, AWR definieert het als: eerstegraads bloedverwant en aanverwant in de rechte lijn. Volgens de daarbij gegeven toelichting wordt derhalve onder kind verstaan een eigen kind, een stiefkind of een kind van de geregistreerd partner van de belastingplichtige. De in de wet gebezigde termen zijn afkomstig uit het burgerlijk recht dat in een geval als dit als ‘commuun recht’ doorwerkt in het belastingrecht (zie art. 1:197-199 BW). (…) Onder ‘kinderen’ worden tevens pleegkinderen begrepen, nu eens niet uit hoofde van het BW, maar door een fictie in art. 1.4 Wet IB 2001. Het fiscale recht kent al langer bepalingen waarin pleegkinderen worden gelijkgesteld met kinderen in de zin van het familierecht. Uit de toelichting bij art. 1.4 kan worden afgeleid dat de wetgever de onder de Wet IB 1964 tot stand gekomen begripsvorming wil continueren. In de voormalige regeling voor de kinderaftrek was bepaald dat een kind als pleegkind werd beschouwd ‘indien het als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed’ (art. 56, lid 3, Wet IB 1964, tekst 1979). Er werd dus een tweeledige eis gesteld. De belastingplichtige – bijvoorbeeld de voogd – waarbij het kind inwoonde, diende de financiële lasten daarvan voor zijn rekening te nemen; tevens diende hij ook wat het non-financiële aspect betreft de zorg voor diens opvoeding op zich te nemen. Aan die eisen heeft de Hoge Raad blijkens het hierboven genoemde arrest van 7 maart 2001 vastgehouden. Van een pleegkind is evenwel geen sprake wanneer op voorhand vaststaat dat het slechts gedurende een betrekkelijk korte periode in het gastgezin zal verblijven (in casu elf maanden) en daarna terugkeert naar de eigen ouders (HR 18 maart 1998, BNB 1998/138). Dat werd ook beslist ten aanzien van een Colombiaanse neef die op 19-jarige leeftijd voor twee jaar naar Nederland kwam wegens zijn studie en de band met zijn natuurlijke ouders niet verbrak (HR 25 april 2008, NTFR 2008/801). Een pleegkind behoudt zijn status, ook nadat de opvoeding ten einde is gekomen door een omstandigheid, zoals huwelijk, die ook ten aanzien van een eigen kind een einde aan de opvoeding maakt (HR 26 juni 1968, BNB 1968/ 167). Volgens Hof ’s-Hertogenbosch 13 juli 2006, NTFR 2006/1162, kan iemand niet pleegkind van zijn eigen broer zijn; in de berechte zaak had de belanghebbende erkend dat hij niet als een vader het gezag uitoefende over zijn broer.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ee8f5158cba5dba31b3ff003d64138fd447974a806c98aec41b7863f02d3095e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ee8f5158cba5dba31b3ff003d64138fd447974a806c98aec41b7863f02d3095e, en de alinea staat in dat document op bytes 51951 tot 54561.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ee8f5158cba5dba31b3ff003d64138fd447974a806c98aec41b7863f02d3095e | shasum -a 256