Citaat | Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016

Onder 2.2 Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:76.

Stellende dat zij in verband met het in juli 2001 te samen met gedeputeerden van de Provincie opgezette ‘reddingsplan Vitesse’ schade hebben geleden, hebben Vitesse c.s. de Provincie in een tegen haar bij de rechtbank Arnhem aangespannen procedure aangesproken tot vergoeding van die schade. Als gronden voor de aanspraak op schadevergoeding voeren zij – voor zover nu nog van belang – aan primair dat de Provincie is tekortgeschoten in de nakoming van de toezegging om de verlaging van de huurprijs voor het seizoen 2001-2002 mogelijk te maken, subsidiair dat de gedeputeerden, die bij het overleg in juli 2001 over het ‘reddingsplan Vitesse’ betrokken waren, hen op het verkeerde been hebben gezet door bij het doen van de toezegging niet duidelijk te maken dat de toezegging nog niet bindend was omdat zij nog de instemming van de Provinciale Staten behoefde, en dat de toezegging niet meer dan een inspanningsverplichting voor de Provincie inhield, welke nalatigheid een aan de Provincie toe te rekenen onrechtmatig handelen vormt. In haar vonnis van 7 juni 2006 verwerpt de rechtbank de beide genoemde aansprakelijkheidsgronden en wijst zij de schadevordering af. Vitesse gaat van deze afwijzing in hoger beroep bij het hof Arnhem. In zijn arrest van 3 juni 2008 oordeelt het hof dat de schadevordering niet toewijsbaar is op de grond van het tekortschieten in de nakoming van een toezegging. Gedeputeerden waren niet bevoegd om die toezegging namens de Provincie te doen, zodat er niet een de Provincie bindende toezegging is tot stand gekomen. Maar er is wel sprake geweest van een onrechtmatig handelen van de gedeputeerden met het doen van de toezegging. Er is bij de toezegging geen voorbehoud omtrent de bevoegdheid tot het doen van de toezegging gedaan, te weten dat instemming van de Provinciale Staten vereist is, en ook is niet aangegeven dat met de toezegging niet meer dan een inspanningsverplichting van de Provincie werd beoogd. Verder is de toezegging onder zodanige omstandigheden gedaan dat Vitesse c.s. hebben mogen aannemen dat de betrokken gedeputeerden intern maatregelen hadden getroffen dat zij een de Provincie bindende toezegging konden doen. Het onrechtmatig handelen – dat ook kort wordt omschreven als ‘het op het verkeerde been zetten’ van Vitesse c.s. – is naar de opvattingen in het maatschappelijke verkeer aan de Provincie toe te rekenen, zodat deze op grond van een eigen onrechtmatig handelen jegens Vitesse aansprakelijk is te houden voor schade uit dat onrechtmatig handelen. In cassatie wordt door Vitesse c.s. in het kader van een incidenteel cassatieberoep het eerstgenoemde oordeel van het hof bestreden en door de Provincie in het kader van een principaal beroep het tweede oordeel. Bij arrest van 25 juni 2010 verwerpt de Hoge Raad het principaal beroep en oordeelt hij omtrent het incidenteel beroep dat Vitesse c.s., gelet op het niet slagen van de klachten in het principaal beroep, geen belang hebben bij een behandeling van de primaire grondslag voor de schadevordering. ( )

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/6b23189417db4d35ced66dc9d15d4c852f8df479240b07729cf93d7dd286b729. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 6b23189417db4d35ced66dc9d15d4c852f8df479240b07729cf93d7dd286b729, en de alinea staat in dat document op bytes 12655 tot 15843.