Citaat | Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016
Onder 2.19 Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 4 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:77.
Gelet op de ruime bewoordingen van artikel 69 Fw en de daarachter gelegen bedoeling om ook de failliet te voorzien van een ruime bevoegdheid om met het oog op zijn belangen met tussenkomst van de rechter-commissaris controle uit te oefenen op het doen en laten van de curator, staat dat artikel zelf niet er aan in de weg dat de gefailleerde ter behartiging van haar belangen bij de rechter-commissaris op de voet van dat artikel de beleidslijn van de Curator ten aanzien van het beroep op verjaring bij de rentevorderingen ter discussie stelt. Dat gegeven hoeft echter niet zonder meer mee te brengen dat het gebruik maken van artikel 69 Fw door de gefailleerde voor dat doel dient te worden aanvaard. Zijn er alternatieven voor de gefailleerde om voor haar belangen op te komen dan is onder ogen te zien hoe die zich tot elkaar verhouden, mede bezien vanuit het oogpunt van de bescherming van de belangen van de gefailleerde. Dit laatste doet de vraag rijzen of de artikelen 126 en 197 Fw te dezen op een passende wijze voorzien in de bescherming van de belangen van de gefailleerde. Dat doen de artikelen, naar het voorkomt, niet, in ieder geval niet in een geval als het onderhavige. Het de gefailleerde ertoe nopen om achteraf via procedures tegen de schuldeisers en de Curator zelf te pogen haar schade op te heffen roept al twijfel op. Die twijfel neemt toe, indien in aanmerking wordt genomen dat het in casu gaat om omstreeks 122 schuldeisers en dat een faillissementscurator zelf rechtens niet spoedig aansprakelijk is te houden voor het door hem gevoerde beleid. ( ) Bij dit alles komt in casu nog dat, naar terecht van de zijde van de gefailleerde wordt aangevoerd, een terugvorderen van de uitgekeerde rente, nadat alsnog is gebleken dat de rentevorderingen ten tijde van de uitbetaling geheel althans voor een deel waren verjaard, afstuit op artikel 6:3, lid 2 sub b BW: na de verjaring resteert een weliswaar niet afdwingbare verbintenis, maar de voldoening aan die verbintenis brengt geen onverschuldigde betaling mee. Kortom, in het onderhavige geval valt aan de artikelen 126 en 197 Rv geen voldoende rechtvaardiging te ontlenen om aan de gefailleerde het benutten van de artikelen 69 en 67 Fw te onthouden.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/e7377b6a5b3c9dfa0acc0b2e834dc23bb308b4de0363d7ed4aad7a8663d2ee83. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt e7377b6a5b3c9dfa0acc0b2e834dc23bb308b4de0363d7ed4aad7a8663d2ee83, en de alinea staat in dat document op bytes 42714 tot 45080.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/e7377b6a5b3c9dfa0acc0b2e834dc23bb308b4de0363d7ed4aad7a8663d2ee83 | shasum -a 256