Citaat | Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2016
Onder 4.6. Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 22 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:8.
Onder 1.1 klagen de Universiteiten dat het hof miskent dat uit art. 7.59a lid 3 WHW volgt dat een beslissing van het college van bestuur van een universiteit op het verzoek van een aspirant-student om te bepalen dat hij slechts een bedrag verschuldigd is dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld, althans een lager bedrag dan het door het college van bestuur vastgestelde instellingscollegegeld, een voor bezwaar en vervolgens voor beroep bij het CBHO vatbaar besluit oplevert. Een aspirant-student kan het verzoek om in aanmerking te komen voor een lager collegegeld dan het instellingscollegegeld doen vóórdat hij door het college van bestuur als student wordt ingeschreven. Onder 1.2 voegen de Universiteiten nog toe dat iedere persoon die zich als student laat inschrijven voor een ‘volgtijdige’ studie op grond van de WHW (niet het wettelijk collegegeld, maar) het instellingscollegegeld verschuldigd is. Hoogstens kan ter discussie staan, hoe hoog het in rekening gebrachte of te brengen instellingscollegegeld mag zijn.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/3372ff6b9ade3f458f4700afbea175ad3779806a45e0bbbd3ea1c9af59aecb43. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 3372ff6b9ade3f458f4700afbea175ad3779806a45e0bbbd3ea1c9af59aecb43, en de alinea staat in dat document op bytes 113450 tot 114642.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/3372ff6b9ade3f458f4700afbea175ad3779806a45e0bbbd3ea1c9af59aecb43 | shasum -a 256