Citaat | Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2016
Alinea 176 Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 28 juni 2016, ECLI:NL:PHR:2016:811.
22. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. De hoofdvraag is niet of het eerste lid van art. 273f Sr verschillende strafbare feiten omvat, maar of het bestreden oordeel van het hof begrijpelijk is. Aangenomen moet worden dat het Openbaar Ministerie als dominus litis in het vervolgingsbeleid zijn bedoeling in dat verband eerstens tot uitdrukking brengt in de bewoordingen van de tenlastelegging. Terecht wijst mijn ambtgenoot Machielse erop dat enerzijds de steller van de tenlastelegging een grote vrijheid heeft of en hoe hij bepaalde strafbare feiten aan de rechter voorlegt, maar dat hij anderzijds door enkel gebruik te maken van een ‘en/of’ constructie de uitleg van de tenlastelegging uit handen geeft en aan de feitenrechter overlaat of een veroordeling voor één strafbaar feit dan wel (cumulatief) voor meer strafbare feiten moet volgen (zolang althans die uitleg niet in strijd is met de bewoordingen van de tenlastelegging). Ook deel ik de opvatting van Reijntjes dat uit de strekking van de tenlastelegging zich de kennelijke bedoeling laat afleiden, en dat deze strekking niet alleen de bewoordingen van de tenlastelegging omvat, maar ook de aard van het tenlastegelegde en de typografische vorm waarin het is gegoten. In de onderhavige zaak heeft de advocaat-generaal bij het hof bovendien de bedoeling met betrekking tot de tenlastegelegde verwijten op de terechtzitting van het hof in duidelijke bewoordingen geëxpliciteerd in dier voege dat feit 1 een (impliciet) cumulatieve tenlastelegging betreft. In welke richting de tenlastelegging onder feit 1 dient te worden geïnterpreteerd, heeft het Openbaar Ministerie hier dus juist niet in het midden gelaten. De enkele, door het hof genoemde, omstandigheid dat bij de feitelijke omschrijving in de tenlastelegging geen specifieke verwijzing naar de subonderdelen is gemaakt, maakt dat naar mijn mening niet anders. Overigens wijs ik er (nogmaals) op dat in de onderhavige zaak de rechtbank het onder 1 tenlastegelegde als impliciet cumulatief (dus als gevoegde feiten) heeft verstaan en dat overigens op ’s hofs terechtzitting de raadsvrouw namens de verdachte heeft meegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de partiële intrekking omdat de verdachte zich met betrekking tot sub 4 ͦ neerlegt bij een veroordeling.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/7e4cc0876aaef0f0290134b1716645084fe6c109e1b0c06498d20b81d3c9b697. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 7e4cc0876aaef0f0290134b1716645084fe6c109e1b0c06498d20b81d3c9b697, en de alinea staat in dat document op bytes 67678 tot 69982.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/7e4cc0876aaef0f0290134b1716645084fe6c109e1b0c06498d20b81d3c9b697 | shasum -a 256