Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016
Onder 3.11 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:837.
Uit de aangehaalde rechtspraak is af te leiden dat een wettelijke bepaling die een bepaald orgaan (van de Staat) of een andere entiteit aanwijst om bepaalde rechtshandelingen te verrichten of om de Staat bij een bepaalde aangelegenheid te vertegenwoordigen, onvoldoende is om aan te nemen dat die bepaling daarmee proces bevoegdheid toekent aan het orgaan of de entiteit. Met de aanwijzing wordt het orgaan of de entiteit slechts aangewezen als 'procesvertegenwoordiger' en is het vertegenwoordigingsbevoegd. Maar het zijn van procesvertegenwoordiger leidt op zichzelf niet tot procesbevoegdheid. Vergelijk Cleveringa die reeds in 1949, na opgemerkt te hebben dat degenen die willen procederen over een handeling van een specifieke officier van justitie de keuze hebben om óf de staat óf de natuurlijk persoon – en dus niet: “de officier van justitie bij de arrondissementsrechtbank te B” – op te roepen, schrijft:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a, en de alinea staat in dat document op bytes 36085 tot 37133.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a | shasum -a 256