Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Onder 3.13 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:837.

Ik meen dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Uitgangspunt is dat de Minister beschikkingsbevoegd is met betrekking tot de vermogensbestanddelen van de opgeheven bedrijfslichamen, zulks in aansluiting op zijn aanwijzing als vereffenaar van het vermogen van de bedrijfslichamen. Dat het de Minister is die beschikkingsbevoegd is, is expliciet opgenomen in de memorie van toelichting. Hoewel de Staat op grond van art. XXXVII van de Wet opheffing bedrijfslichamen eigenaar is geworden van de vermogensbestanddelen van de bedrijfsschappen, is het dus niet de Staat aan wie die beschikkingsbevoegd toekomt. Dat de Minister beschikkingsbevoegd is, zegt op zichzelf echter niets over de vraag of de Minister proces bevoegdheid heeft in de onderhavige procedure. Daarvoor is vereist dat de wet hem de hoedanigheid van formele procespartij toekent. Dat is niet het geval. Weliswaar bepaalt art. XXXIX lid 4 van de Wet opheffing bedrijfslichamen dat rechtsvorderingen die betrekking hebben op rechten of verplichtingen die behoren tot het vermogen van het bedrijfslichaam, worden ingesteld door 'Onze Minister'. Anders dan in art. 3 lid 2 Invorderingswet is echter niet vermeld 'Onze Minister als zodanig '. Ook anderszins is in de bepaling niets opgenomen waaruit is af te leiden dat de Minister zelfstandig in rechte zou kunnen optreden. Uit art. XXXIX blijkt dan ook niet duidelijk dat méér bedoeld is dan aan te geven dat de Minister beschikkingsbevoegd is met betrekking tot (het instellen van) deze rechtsvorderingen, zulks in aansluiting op lid 3 van art. XXXIX. Dat niet bedoeld is de Minister procesbevoegdheid toe te kennen, wordt bevestigd door de toevoeging in lid 4 van art. XXXIX, dat de daar bedoelde rechtsvorderingen moeten worden ingesteld tegen de staat. Als beoogd zou zijn geweest om de Minister procesbevoegdheid toe te kennen, zou het immers logisch zijn geweest dat tegen hem ook rechtsvorderingen zouden kunnen worden ingesteld. De parlementaire geschiedenis bij art. XXXIX lid 4 wijst niet duidelijk een andere kant op, in die zin dat daaruit zou blijken dat wel beoogd zou zijn de Minister aan te wijzen als formele procespartij. In de memorie van toelichting is vermeld dat de Minister ten behoeve van het vermogen van een schap rechtsvorderingen tegen derden kan instellen (zie de passage op p. 29, aangehaald onder punt 2.5 van deze conclusie). Maar hieruit is niet af te leiden dat de Minister dit als zodanig , zelfstandig , zou kunnen doen. Verder is in de memorie van toelichting te lezen dat degene die een civiele procedure aanhangig wil maken in verband met een aangelegenheid die betrekking heeft op het vermogen van een bedrijfslichaam, die vordering moet instellen tegen de Minister. Die passage moet echter op een vergissing berusten, aangezien in de wettekst iets anders is vermeld.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a, en de alinea staat in dat document op bytes 40067 tot 43266.