Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Onder 3.22 Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 juli 2016, ECLI:NL:PHR:2016:837.

Onder I.4 wordt geklaagd dat nu tot uitgangspunt moet worden genomen dat de Minister in deze procedure optreedt in zijn hoedanigheid van vereffenaar, dit automatisch betekent dat hij ook degene is die de vordering moet incasseren. Onbegrijpelijk is het oordeel van het hof dat de bepalingen van de Wet opheffing bedrijfslichamen niet anders kunnen worden begrepen, dan dat de Minister namens de Staat de vordering kan innen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt f0ea38ff6575b8c05f2b2388a15f8d8400b45201a6bbba0929e9b3492c2dbc8a, en de alinea staat in dat document op bytes 47509 tot 48030.