Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016

Onder 4.24 Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:851.

Voordeel van deze benadering is dat de aspirant-verkrijger met betrekking tot achterstallige pensioenpremies minder risico loopt en dus mogelijk eerder tot de overname zal besluiten (hetgeen de werkgelegenheid ten goede kan komen). Wat mij betreft zijn er echter bezwaren verbonden aan de opvatting dat het pensioenfonds in de genoemde context – het geval dat de werknemer zowel voor als na de overgang van onderneming verplicht deelneemt in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds – geen eigen vorderingsrecht voor premieachterstanden jegens de verkrijger toekomt. Individuele werknemers hebben er in die context immers in principe geen direct belang bij om de verkrijger aan te spreken tot betaling van achterstallige premie. In het algemeen is hun pensioenaanspraak niet rechtstreeks afhankelijk van de premiebetaling (hiervoor onder 4.5). Het pensioenfonds heeft er tegelijkertijd juist wel direct belang bij om de verkrijger tot betaling van de achterstallige pensioenpremies te kunnen aanspreken. Het pensioenfonds zou in deze opvatting echter geen zelfstandig vorderingsrecht hebben voor het innen van achterstallige pensioenpremies bij de verkrijger. Het vorderingsrecht en het materieel belang zijn dan (bij gebreke van volmachtverlening of lastgeving aan het pensioenfonds althans) niet in één hand. De werknemer kan de verkrijger aanspreken, maar doet dat niet; het pensioenfonds zou het graag willen, maar mag het niet. Die uitkomst is weinig aansprekend. Een reëel evenwicht ontstaat wanneer het pensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht voor de premieachterstand jegens de verkrijger van de onderneming kan uitoefenen. Op de verkrijger komt de verplichting tot betaling van de premieachterstand te rusten. De verkrijger heeft hiervoor echter een voorziening in de koopovereenkomst (bijvoorbeeld een lagere koopprijs) kunnen bedingen. De vervreemder is na voldoening van de premieachterstand in de verhouding met het pensioenfonds bevrijd, maar daar staat tegenover dat hij een lagere koopsom zal hebben ontvangen. Het pensioenfonds kan de verkrijger aanspreken voor de premieachterstand en zo de premie incasseren waarop het fonds recht heeft. Dit evenwichtige resultaat wordt niet bereikt als uitsluitend de werknemers de verkrijger van de onderneming kunnen aanspreken tot betaling van de premieachterstand. De werknemers hebben immers geen prikkel om de verkrijger van de onderneming aan te spreken tot betaling van de pensioenachterstand. Het effectueren van dit vorderingsrecht kan dus het beste ‘collectief’ door het pensioenfonds geschieden. Zonder een zelfstandig vorderingsrecht zou het pensioenfonds hiervoor zijn aangewezen op een cessie of lastgeving door de werknemers. Het lijkt tegen deze achtergrond redelijk en wenselijk om aan te nemen dat het pensioenfonds een zelfstandig vorderingsrecht toekomt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d1454832e04a029a7eab09ae2996524ab21b9aa60cb50120e4dbb1821db17d9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d1454832e04a029a7eab09ae2996524ab21b9aa60cb50120e4dbb1821db17d9, en de alinea staat in dat document op bytes 107930 tot 111016.