Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016
Onder 5.9 Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:851.
Deze klacht treft naar mijn mening evenmin doel. Het specifieke van deze zaak is dat de werknemers voor en na de overgang verplicht deelnemen in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds. Die situatie valt onder de reikwijdte van art. 7:663 BW (art. 7:664 lid 2 BW). Het stelsel van de WOO en de Pensioenwet biedt naar mijn mening in de gegeven context een toereikende grondslag voor het aannemen van een zelfstandig vorderingsrecht van het pensioenfonds jegens de verkrijger van de onderneming voor pensioenachterstanden uit de periode voor de overgang. Daartoe acht ik, zoals gezegd (hiervoor onder 4.25), het volgende van belang: (i) de WOO en de Pensioenwet voorzien erin dat de verplichting tot betaling van een premieachterstand bij een overgang van onderneming overgaat op de verkrijger (zie hiervoor 4.21-4.22); (ii) de rechtsbetrekkingen in de pensioendriehoek tussen werkgever, werknemer en pensioenfonds zijn sterk met elkaar verbonden (hiervoor 4.4). Partijen zullen zich in deze onderlinge verhoudingen de gerechtvaardigde belangen van de ander moeten aantrekken; (iii) art. 7:663 BW spreekt over de overgang van rechten en verplichtingen die uit de arbeidsovereenkomst voortvloeien. Rechten van derden zijn daarvan niet uitdrukkelijk uitgezonderd (hiervoor 4.9, 4.25 en 5.2); (iv) op grond van art. 7:663 BW zal de vervreemder na een termijn van één jaar na de overgang niet meer kunnen worden aangesproken tot betaling van de premieachterstand (hiervoor 4.13). Het is onzeker in hoeverre het pensioenfonds zijn vordering voor de premieachterstand na het verstrijken van deze termijn van een jaar nog jegens de vervreemder kan uitoefenen; (v) het materiële belang van het vorderingsrecht ligt bij het pensioenfonds (hiervoor 4.24). Individuele werknemers hebben geen belang bij het aanspreken van de verkrijger van de onderneming tot het betalen van de premieachterstand (hiervoor 4.5). Daar komt bij dat het zelfstandig vorderingsrecht in overeenstemming is met de beschermingsgedachte van de regels over overgang van onderneming. Het pensioenfonds handelt bij het innen van de premies immers mede in het belang van de werknemers gezamenlijk (hiervoor onder 4.25). Tegen die achtergrond biedt het stelsel van de WOO en de Pensioenwet naar mijn mening een toereikende grondslag voor het aannemen van een zelfstandig vorderingsrecht van het pensioenfonds jegens de verkrijger van de onderneming voor pensioenachterstanden uit de periode voor de overgang in het geval dat de werknemer verplicht in hetzelfde bedrijfstakpensioenfonds blijft deelnemen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/2d1454832e04a029a7eab09ae2996524ab21b9aa60cb50120e4dbb1821db17d9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 2d1454832e04a029a7eab09ae2996524ab21b9aa60cb50120e4dbb1821db17d9, en de alinea staat in dat document op bytes 131790 tot 134361.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/2d1454832e04a029a7eab09ae2996524ab21b9aa60cb50120e4dbb1821db17d9 | shasum -a 256