Citaat | Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2016
Onder 2.13. Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 27 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:858.
Een vrijheidsbeneming in strijd met art. 5 lid 1 EVRM leidt in ieder geval tot de verplichting om de door de betrokkene daardoor geleden schade te vergoeden: zie art. 5 lid 5 EVRM . Op zichzelf noopt deze verdragsbepaling niet tot het inkorten van de periode waarvoor de rechterlijke machtiging tot vrijheidsbeneming is gegeven. Een machtiging op grond van de Wet Bopz, in verbinding met art. 5, lid 1 onder e, EVRM, is immers niet op het verleden, maar op de actuele toestand en de toekomst gericht (het gaat niet om een aftrek van de dagen die in preventieve hechtenis zijn doorgebracht bij het opleggen van een gevangenisstraf). Niettemin heeft de jurisprudentie zich ontwikkeld in die zin, dat de Bopz-rechter die de machtiging verleent een of meer dagen op de wettelijke maximumduur in mindering kán brengen (en, als de officier van justitie te laat het verzoek heeft ingediend, in mindering móet brengen), teneinde het door wettelijke termijnen beschermde belang van de betrokkene te beschermen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/5f910f14bde8a86009c33aaca41825dc9fde636b1c003a3138336400d4aca4c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 5f910f14bde8a86009c33aaca41825dc9fde636b1c003a3138336400d4aca4c1, en de alinea staat in dat document op bytes 28995 tot 30075.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/5f910f14bde8a86009c33aaca41825dc9fde636b1c003a3138336400d4aca4c1 | shasum -a 256