Citaat | Parket bij de Hoge Raad 2 september 2016

Onder 4.17 Parket bij de Hoge Raad 2 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:866.

Hof Den Haag heeft recent in een exhibitie-incident geoordeeld dat “niet goed voorstelbaar is dat de houder van een nietig octrooi een vordering tot inzage in verband met een vordering wegens inbreuk op dat octrooi toegewezen zou kunnen krijgen.” Gelet op art. 6 HhRi, waaromtrent het hof overweegt dat bij de implementatie daarvan door de wetgever is aangegeven dat er sprake moet zijn van een reële vordering, waarbij de inbreuk voorshands voldoende aannemelijk is gemaakt, “zal dus ook de geldigheid van het octrooi in de beoordeling moeten worden betrokken” aldus het hof. De precieze maatstaf voor die beoordeling kon het hof in die zaak in het midden laten, omdat het oordeelde dat inzage in ieder geval moet worden afgewezen als sprake is van een kennelijk ongeldig octrooi – en daarvan was in die zaak volgens het hof sprake. Het Haagse hof verwiep hiermee de positie van Plantlab dat geldigheid in een inzageprocedure geen rol mag spelen (een parallelle positie die Astellas in onze zaak inneemt). Ik onderschrijf dat graag.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ef82db5e59a571fd4f5b3566db666046af6077472c7b202adb672ea3e58b6bf8. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ef82db5e59a571fd4f5b3566db666046af6077472c7b202adb672ea3e58b6bf8, en de alinea staat in dat document op bytes 55617 tot 56802.