Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Onder 3.5 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:88.

De verwijzing door het Gerechtshof naar het arrest ‘Heintz van Landewijck SARL’ van het Hof van Justitie (zaak C-494/04 d.d. 15 juni 2006) kan niet als een reactie worden beschouwd. Uit rechtsoverweging 49 van dat arrest blijkt namelijk dat die casus ging om een maatregel die bestond vóór de inwerkingtreding van de Zesde richtlijn en waarvan de Europese Commissie in eerste instantie niet de mening was toegedaan dat sprake was van een afwijking van de Zesde richtlijn. Het arrest van het Hof van Justitie ziet dus op een andere situatie dan die in de onderhavige procedure aan de orde is. Zelfs als aan dat verschil voorbij zou was mogen worden gegaan, meent belanghebbende nog dat het arrest niet van toepassing kan zijn omdat in de onderhavige procedure handelen van een belastingplichtige als belastingontwijking of -fraude wordt gekwalificeerd, terwijl in het arrest geen sprake was van het kwalificeren van handelingen van een ondernemer. Vanwege de hiervoor bedoelde kwalificatie is het van wezenlijk belang dat de lidstaten maatregelen op grond van artikel 80 van de btw-richtlijn vooraf melden. Dit maakt dat de meldingsprocedure qua strekking, naar de mening van belanghebbende, een wezenlijk procedureel voorschrift is.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/21b0d56832cd995481bcc42c62e111db45928e84bdffdf436393eb0188a5eed4. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 21b0d56832cd995481bcc42c62e111db45928e84bdffdf436393eb0188a5eed4, en de alinea staat in dat document op bytes 90104 tot 91355.