Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2016

Onder 3.27 Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:885.

Het is maar zeer de vraag of art. 53 en 55 AWR een dergelijke deugdelijke basis vormen voor een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Deze artikelen bieden immers geen mogelijkheid om in rechte tegen de informatievergaring op te komen, nu een rechtsingang ontbreekt. Er vindt pas een rechterlijke toets plaats als de derde weigert de gegevens te verstrekken en de Belastingdienst vervolgens een civiel kort geding start. In EHRM 14 maart 2013, no. 24117/08 (Bernh Lahrsen) is bepaald dat een voorafgaand rechterlijk bevel weliswaar niet is vereist, maar daarbij is wel de voorwaarde gesteld dat het toepassingsbereik van een regeling beperkt is en dat een rechter in ieder geval achteraf de zaak kan beoordelen. Gelet op deze uitspraak lijkt het mij sterk dat onze wetgeving aan art. 8 EVRM voldoet. Dit overigens nog los van de vraag of de brede verzoeken wel proportioneel zijn en een redelijk klein afgebakend doel kennen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8bf4d7b1990230b2edee627b0e0386cbd5fdeb8175e08bce5f9c977adc10281e. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8bf4d7b1990230b2edee627b0e0386cbd5fdeb8175e08bce5f9c977adc10281e, en de alinea staat in dat document op bytes 48398 tot 49339.