Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016
Onder 4.20 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:89.
Volgens art. 75 van de Btw-richtlijn zullen in geval van een fictieve heffing de gemaakte uitgaven in de heffing worden betrokken. Vanwege het ontbreken van een definitie van het begrip ‘gemaakte uitgaven’ in de richtlijn besloot een Duitse rechter in de zaak HvJ 14 september 2006, Wollny, C-72/05 om de zaak voor te leggen aan het Hof van Justitie. Het Hof stelt vast dat de bepaling waarin het begrip ‘gemaakte uitgaven’ wordt genoemd, geen zogenoemde ‘kan-bepaling’ is. Omdat een duidelijke omschrijving ontbreekt mogen de lidstaten derhalve – zolang niet aan het doel van de richtlijnbepaling wordt voorbijgegaan – met een zekere beoordelingsmarge een eigen regeling opstellen aangaande de uitleg van de ‘gemaakte uitgaven’. Voorkomen moet worden dat ondernemers met aftrek die goederen via de onderneming aanschaffen en vervolgens privé gebruiken beter af zijn dan gewone particulieren. Dit kan worden bereikt door de periode van de heffing voor het privégebruik gelijk te stellen aan de herzieningsperiode.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1, en de alinea staat in dat document op bytes 160683 tot 161731.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1 | shasum -a 256