Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Onder 4.23 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:89.

Sinds de inwerkingtreding van het Belastingplan 2007 is, in reactie op het arrest Charles en Charles-Tijmens, het wettelijke systeem dat de voorbelasting bij aanschaf van een auto door een aftrekgerechtigde ondernemer in principe geheel en meteen in aftrek kan worden gebracht alsof de auto uitsluitend voor belaste activiteiten wordt gebruikt. Deze onmiddellijk genoten aftrek wordt vervolgens gecorrigeerd door het privégebruik als fictieve dienst aan te merken (artikel 4, lid 2, letter a, van de Wet OB). De omvang van deze fictieve dienst (maatstaf van heffing) wordt op grond van artikel 8, lid 7, van de Wet OB in samenhang met artikel 5a van de UB OB gesteld op de door de ondernemer ter zake van het privégebruik van de auto gemaakte (relevante) uitgaven. De omzetbelasting die uit die fictieve dienst voortvloeit wordt ingevolge artikel 13, lid 4, van de Wet OB pas verschuldigd ultimo het betreffende boekjaar.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1, en de alinea staat in dat document op bytes 170268 tot 171460.