Citaat | Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Onder 4.2 Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 8 maart 2016, ECLI:NL:PHR:2016:89.

Artikel 8, lid 7, van de Wet OB is ingevoerd op 1 januari 2007 en gebaseerd op het destijds geldende artikel 11, A, lid 1, letter c, van de Zesde richtlijn. Daarin is bepaald dat de maatstaf van heffing voor de hier bedoelde fictieve dienst het bedrag is van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven. In het voor het onderhavige tijdvak geldende artikel 75 van de Btw-richtlijn is de maatstaf van heffing voor deze fictieve dienst het bedrag van de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst “gemaakte kosten”. Hoewel de betekenis van beide termen uiteen kan lopen, moet worden aangenomen dat met de gewijzigde terminologie geen inhoudelijke wijziging is beoogd (vgl. punt 3 van de Considerans van de Btw-richtlijn).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 58b7be5bd30e72b25ec788f7944f0b81964cbb5c07354aa65b9d5c98866eb5c1, en de alinea staat in dat document op bytes 30997 tot 31790.