Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016
Onder 7.9 Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897.
Uit HR BNB 2004/622 en HR BNB 2013/221 volgt dat voor de vraag of zich een navordering rechtvaardigend feit voordoet, slechts relevant is (zie ook 7.6 hierboven) of de bevoegde inspecteur of een persoon voor wiens handelen hij verantwoordelijk is, met dat feit bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn. De term ‘redelijkerwijs’ geeft aan dat van de inspecteur geen extreme oplettendheid wordt verwacht. Hij moet volgens vaste jurisprudentie met inachtneming van normale zorgvuldigheid kennis nemen van de aangifte, en mag in beginsel vertrouwen op de juistheid van aangegeven feiten in een verzorgd uitziende aangifte. Tot verder onderzoek is de inspecteur slechts verplicht als hij aan de juistheid van enig in de aangifte opgenomen gegeven in redelijkheid behoort te twijfelen. In HR BNB 2008/281 overwoog u:
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8935b27e73d67aecf340321a5f7324098e8b8090fc3aad49e0caeb2ba1e17005. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8935b27e73d67aecf340321a5f7324098e8b8090fc3aad49e0caeb2ba1e17005, en de alinea staat in dat document op bytes 179770 tot 181090.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8935b27e73d67aecf340321a5f7324098e8b8090fc3aad49e0caeb2ba1e17005 | shasum -a 256