Citaat | Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016

Onder 8.9 Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 25 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:897.

“-4. De vraag rijst wel waarom de voor kwade trouw vereiste bewustheid niet op een later moment dan het tijdstip waarop de aangifte wordt ingediend aanwezig kan zijn. Stel dat een belastingplichtige aangifte doet, naar hij zelf meent naar een juist bedrag. Stel dat hij na het indienen van de aangifte informatie krijgt waaruit blijkt dat zijn aangifte onjuist is. Waarom is er dan geen sprake van kwade trouw als hij die informatie niet aan de Belastingdienst verstrekt? De enige verklaring daarvoor zie ik in [het; PJW] feit dat er geen wettelijke plicht is om in deze situatie informatie aan de Belastingdienst te verstrekken. Die is er in beginsel alleen in het kader van het doen van een juiste aangifte en bij het beantwoorden van vragen ex art. 47 e.v. AWR (zie in dit verband ook Albert in zijn noot onder BNB 2010/296 en de Vakstudie Algemeen Deel, art. 16, aantekening 10.5.2.). Met andere woorden, kwade trouw kan niet bestaan zonder een wettelijke verplichting om informatie aan de Belastingdienst te verstrekken. (…).

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8935b27e73d67aecf340321a5f7324098e8b8090fc3aad49e0caeb2ba1e17005. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8935b27e73d67aecf340321a5f7324098e8b8090fc3aad49e0caeb2ba1e17005, en de alinea staat in dat document op bytes 219471 tot 220518.