Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Onder 2.21 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:898.
Het is overigens niet eenvoudig in te zien hoe goodwill (in de vorm van een clientèle) een afzonderlijk en zelfstandig onderwerp kan zijn van regulering of van onteigening. Het gaat het EHRM dan ook in de eerste plaats om het economisch belang in de onderneming of de beroepspraktijk als geheel. De clientèle is daarvan slechts een onderdeel. Het economisch belang in de onderneming of de beroepspraktijk als geheel is aan te merken als eigendom in de zin van art. 1 EP. Wanneer door de overheid een bepaalde maatregel wordt genomen ten aanzien van een onderneming of een beroepspraktijk, dan is voor de bepaling van de vraag of sprake is van een aantasting van die onderneming of beroepspraktijk en voor de vraag of sprake is van een fair balance , onder meer van belang of de onderneming of de beroepspraktijk inkomensschade heeft geleden (hetgeen dus niet noodzakelijkerwijs betekent dat de gederfde of te derven inkomsten zelf als possession worden beschouwd). In Olbertz/Duitsland en Buzescu/Roemenië neemt het EHRM een aantasting van eigendom aan, omdat de (gedeeltelijke) sluiting van de beroepspraktijk leidt tot verlies van inkomsten. In Ian Edgar (Liverpool) Ltd/Verenigd Koninkrijk neemt het Hof in aanmerking dat de compensatie die door de overheid is geboden ook geldt als gedeeltelijke compensatie voor toekomstige inkomsten en winsten. Is sprake van onteigening, dan moet normaliter compensatie worden geboden die redelijk gerelateerd is aan de waarde van het onteigende omdat anders sprake is van een disproportionele inmenging. In de zaak Lithgow e.a./Verenigd Koninkrijk , die de nationalisatie betrof van een gehele tak van industrie (de luchtvaart- en scheepsbouwindustrie), kwam aan de orde dat in de ‘Aircraft and Shipbuilding Industries Act 1997’ de compensatie was gebaseerd op de waarde van de aandelen. Een alternatief zou zijn geweest dat de compensatie zou worden gebaseerd op de waarde van de onderliggende activa van de ondernemingen, hetgeen volgens de Britse regering een kostbare en tijdrovende klus zou zijn, terwijl bovendien ‘in valuing a business which is to continue to operate as a going concern earnings may often be a more important factor than assets’. Het Hof kwam tot het oordeel dat de desbetreffende compensatiemaatregel in beginsel niet onverenigbaar was met de vereisten van art. 1 EP.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1, en de alinea staat in dat document op bytes 77643 tot 80593.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1 | shasum -a 256