Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Onder 2.53 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:898.

De klachten van subonderdeel 4.2 kunnen gezamenlijk worden behandeld. Het hof heeft in rov. 4.5 en 4.6 gesteld dat de nertsenhouders in ieder geval sinds 2006 de kans hebben gehad zich in te stellen op de invoering van de Wet en dat hen vervolgens een ruime overgangstermijn van bijna 11 jaar is gegund. Het hof is kennelijk, en niet onbegrijpelijk, van mening dat in deze periode de nertsenhouders zowel hun schade kunnen beperken als datgene kunnen doen wat is vereist om na ommekomst van de overgangstermijn een andere bedrijfsactiviteit te kunnen beoefenen. Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het hof in rov. 4.5 niet zonder meer geoordeeld dat de Nertsenhouders andere activiteiten kunnen ontwikkelen op hun huidige locatie. Het hof heeft immers gesteld dat die andere activiteiten wellicht op een andere locatie dan die van de huidige nertsenbedrijven moeten worden ontplooid. De omstandigheden dat de kosten van een dergelijke investering hoog zijn, dat het eigen bedrijf niet kan worden verkocht en belast is met sloopkosten, en bovendien de benodigde kennis en marktomstandigheden zouden ontbreken, doen aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof dat het mogelijk is om op een andere locatie activiteiten te ontplooien, niet af. Het hof is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door te oordelen dat de benodigde kennis kan worden verworven dan wel ingehuurd, nu de punten 23, 24 en 26 van de pleitnotities van NFE c.s., waarnaar het onderdeel verwijst, niet de stelling bevatten dat die kennis niet kan worden opgebouwd, maar hooguit dat die kennis ontbreekt. Het hof heeft slechts geoordeeld dat de stelling van NFE c.s. dat de benodigde kennis ontbreekt, niet van belang is omdat die kennis kan worden verworven of ingehuurd. Tenslotte is het hof ook niet buiten de rechtsstrijd getreden door betekenis toe te kennen aan de periode vanaf 1999 en ieder geval aan de periode vanaf 2006. De Staat heeft immers de stelling ingenomen dat de invoering van de Wet voorzienbaar was en daarbij gewezen op de in 1999 ingediende motie waarin werd opgeroepen tot een verbod op de pelsdierhouderij en de omstandigheid dat in 2006 de Wet in voorbereiding was. Alle klachten van onderdeel 4.2 falen mitsdien.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1, en de alinea staat in dat document op bytes 125627 tot 127981.