Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Onder 1.13 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:898.

Het hierboven genoemde initiatiefwetsvoorstel heeft geleid tot de Wet verbod pelsdierhouderij van 4 januari 2013 (hierna: de Wet). De Wet is op 15 januari 2013 in werking getreden. Art. 1 sub e van de Wet definieert een pelsdier als een dier dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gehouden ter verkrijging van de pels. In art. 2 van de Wet is bepaald dat het houden, doden of doen houden van een pelsdier verboden is. Ingevolge art. 4 is het verbod tot 1 januari 2024 niet van toepassing op nertsenhouders die conform art. 3 een melding hebben gedaan en tevens aan de andere in art. 4 omschreven voorwaarden voldoen. De termijn tussen 15 januari 2013 en 1 januari 2024 is in de memorie van toelichting aangeduid als overgangstermijn en is bedoeld om de nertsenhouders in staat te stellen de investeringen die zij hebben gedaan en de investeringsverplichtingen die zij reeds zijn aangegaan om te voldoen aan de welzijnseisen op grond van de PPE-verordening, terug te kunnen verdienen met een redelijke vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd kapitaal. Blijkens de memorie van toelichting is door de initiatiefnemers nog overwogen dat, na intrekking van het wetsvoorstel Verbod op de pelsdierhouderij in 2002, de sector tot nieuwe investeringen is overgegaan. Derhalve zou bij de invoering van het wetsvoorstel door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit bij een nog nader uit te werken Algemene Maatregel van Bestuur een financiële regeling worden getroffen (op grond van art. 5 van het initiatiefwetsvoorstel). Deze regeling zou eruit bestaan dat gedurende tien jaar jaarlijks een vast percentage pelsdierhouders zich kan laten uitkopen. De Raad van State heeft hierover kritisch geadviseerd. Op voorhand zou moeilijk zijn te overzien hoe groot de kosten zouden zijn, de regeling zou tot ongelijkheid leiden doordat steeds slechts een deel van de houders ervan gebruik zou kunnen maken en het zou niet eenvoudig zijn de waarde van de op te kopen bedrijven te bepalen. De Raad heeft opgemerkt dat de memorie van toelichting vermeldt dat ervan wordt uitgegaan dat een periode van tien jaar voldoende is om gedane investeringen terug te verdienen, met een redelijke vergoeding voor arbeid en geïnvesteerd kapitaal. De Raad meende dat het opnemen van een uitkoopregeling nadere rechtvaardiging behoefde. Naar aanleiding van dit advies hebben de indieners besloten art. 5 van het initiatiefwetsvoorstel te laten vervallen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1, en de alinea staat in dat document op bytes 19269 tot 22034.