Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Onder 2.3 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:898.

Subonderdeel 1.2 (dat verder uiteenvalt in de onderdelen 1.2.1-1.2.3) klaagt subsidiair dat de relevante rechtspraak van het EHRM ruimte laat voor een benadering van de bestaande waarde van (de goodwill in) een onderneming op de grondslag van een bestaand vermogen om in de toekomst voldoende waarschijnlijke overwinsten te kunnen realiseren. Het subonderdeel (onder 1.2.1) verwijst naar arresten waarin het EHRM beroepspraktijken als zodanig en de goodwill daarvan, onder de reikwijdte van art. 1 EP heeft gebracht, waarbij de goodwill niet is gelijkgesteld aan en/of beperkt is tot de waarde van een (verkoopbaar) klantenbestand. Tegen deze achtergrond kan niet worden uitgesloten dat het EHRM goodwill in aanmerking zal nemen, indien die goodwill (i) is gegrond en ook uitsluitend deugdelijk kán worden gegrond op het vermogen toekomstige overwinsten te genereren, (ii) deze toekomstige overwinsten (vrije kasstromen) voldoende zeker en/of bepaalbaar zijn en (iii) op grond daarvan een actuele en voldoende zekere waarde van de ondernemingen is bepaald, die door de overheidsmaatregel wordt getroffen. Het subonderdeel betoogt onder 1.2.2 en 1.2.3 dat het hof in ieder geval een onjuiste althans ontoereikend gemotiveerde beslissing heeft gegeven door ervan uit te gaan dat in de sector in het geheel geen sprake is van goodwill die voor bescherming door art. 1 EP in aanmerking komt. In geval de waarde van (de goodwill in) een onderneming niet op andere wijze deugdelijk kan worden vastgesteld dient de contante waarde van toekomstige vrije kasstromen in elk geval als rechtens relevante indicatie te gelden van de wél in aanmerking te nemen goodwill, zodat het hof, zo nodig ambtshalve, had moeten onderzoeken of, en zo ja, in welke mate, wél sprake is van rechtens in aanmerking te nemen goodwill. Het voorgaande klemt te meer nu de door NFE c.s. gestelde goodwill berustte op de bedrijfseconomische gangbare DCF-methode en op een actualisatie van de rapporten van de door de Tweede Kamer geraadpleegde deskundige LEI, die waren gericht op het vaststellen van inkomensschade in de sector, terwijl bij de parlementaire behandeling daarvan geen afstand is genomen, aldus het subonderdeel.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1a6d1cb2e628c43eea4c2f1086ff6656e78c9bb73e59271298c8d363af5012a1, en de alinea staat in dat document op bytes 46065 tot 48450.