Citaat | Parket bij de Hoge Raad 18 augustus 2016

Onder 4.34 Parket bij de Hoge Raad 18 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 18 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:900.

Het tweede aspect uit deze beslissing is minstens zo interessant. Volgens het toenmalige lid 7 van artikel 32bb van de Wet LB (woordelijk gelijk aan het huidige lid 6) blijft een voordeel uit uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht dat in jaar (t-1) of jaar (t) is genoten voor de toepassing van het vierde lid buiten aanmerking wanneer dat aandelenoptierecht is toegekend in een eerder jaar dan (t-1). De inspecteur stelde zich op het standpunt dat die regel alleen toepassing kan vinden met betrekking tot een aandelenoptierecht dat niet alleen in een eerder jaar dan (t-1) was toegekend, maar dat dat recht ook, als het voorwaardelijk was toegekend, in een eerder jaar dan (t-1) onvoorwaardelijk moest zijn geworden. Zien wij het goed, dan liet de inspecteur zich daarbij vooral leiden door de passage uit de parlementaire geschiedenis bij het huidige lid 6, waarin wordt gesproken over een "overeengekomen" aandelenoptierecht. Klaarblijkelijk was de inspecteur van mening dat van zo'n overeengekomen recht slechts sprake kon zijn bij een onvoorwaardelijk recht en niet bij een recht onder opschortende voorwaarde. Mogelijk ook dat dit een wat langer dienende inspecteur was die nog heel goed wist dat vóór 2001 (met een keuzerecht voor de jaren 2001 tot en met 2004) een aandelenoptierecht fiscaal werd genoten als het onvoorwaardelijk was toegekend, maar bij voorwaardelijke toekenning pas werd genoten als de (opschortende) voorwaarde was vervuld. Hoe dit ook zij, de tekst van artikel 32bb, lid 6, van de Wet LB is wat ons betreft duidelijk en sluit aan bij het genietingsmoment zoals dat met ingang van 2001 (met keuzerecht voor de jaren 2001 tot en met 2004) geldt en zoals genoemd in artikel 10a, lid 1, van de Wet LB: het moment waarop de optie is uitgeoefend of vervreemd. Waar onder het oude regime toekenning en genieting van een aandelenoptierecht hele verschillende momenten konden betreffen, is het genietingsmoment onder het nieuwe regime eenduidig. Voor de toepassing van de uitzonderingsbepaling van artikel 32bb, lid 6, van de Wet LB, moet worden voldaan aan twee criteria. Ten eerste moet sprake zijn van een voordeel dat door uitoefening of vervreemding van een aandelenoptierecht op grond van artikel 10a Wet LB tot het loon van jaar (t) of jaar (t-1) heeft behoord. In de tweede plaats moet het daarbij gaan om een aandelenoptierecht dat is toegekend in een eerder jaar dan (t-1). Uit de tekst van artikel 32bb, lid 6, van de Wet LB blijkt echter op geen enkele wijze dat het daarbij zou moeten gaan om een onvoorwaardelijke toekenning. Wij onderschrijven de beslissing van de Rechtbank op beide aspecten.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/877be3d283efb79b890375dd5a9072bb46a9df4b82395844838a7be2c787ad4a. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 877be3d283efb79b890375dd5a9072bb46a9df4b82395844838a7be2c787ad4a, en de alinea staat in dat document op bytes 72942 tot 75602.