Citaat | Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016

Onder 2.6. Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 12 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:911.

In de toelichting op de klacht is nog sprake van een (aan de conclusie van de A-G Leijten vóór het arrest van 16 oktober 1987 ontleend) voorbeeld van een fictief strafvonnis waarin een kantonrechter ter zake van een overtreding aan de verdachte de doodstraf heeft opgelegd. Indien dat vonnis onherroepelijk is geworden, moet het dan toch worden tenuitvoergelegd? Het voorbeeld heeft mij niet overtuigd. Nog daargelaten dat het hedendaagse recht voor zo’n denkbeeldig geval een oplossing biedt , het gaat bij dit vraagstuk in wezen om een taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de strafrechter. In de wet is geregeld dat, en in welke gevallen en binnen welke termijn, een rechtsmiddel tegen een strafvonnis kan worden aangewend (in dit geval: hoger beroep tegen het strafvonnis van de rechtbank). Wanneer de veroordeelde om hem of haar moverende redenen van die mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt of, zoals in dit geval, zijn hoger beroep intrekt, wordt het vonnis met alle eventueel daaraan klevende gebreken onherroepelijk. Daarna heeft het kracht van gewijsde en kan de inhoud van de beslissing van de strafrechter niet met succes ter discussie worden gesteld in een procedure bij de burgerlijke rechter . Ter zijde merk ik op dat soortgelijke vragen zich voordoen bij de taakverdeling tussen de burgerlijke rechter en de bestuursrechter.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/d65686c3e9332d1a0b98f86cfa38ea58328eaf35a938c32eed6bb4ba67a82327. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt d65686c3e9332d1a0b98f86cfa38ea58328eaf35a938c32eed6bb4ba67a82327, en de alinea staat in dat document op bytes 17126 tot 18622.