Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Onder 2.13 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:921.
Verder wordt voor een restrictieve uitleg van art. 37 Fw wel aangevoerd - een vierde argument - dat een andere uitleg leidt tot het gevolg dat de curator het vorderingsrecht niet geldend zou kunnen maken, maar de gefailleerde dit na beëindiging van het faillissement zelf wel alsnog zou kunnen doen (arrest hof rov. 5.3, tweede alinea). Art. 37 Fw ontneemt immers slechts de curator het recht op nakoming, en niet de schuldenaar. Voor dit verschil bestaat geen goede grond, zo overweegt het hof. Heel sterk acht ik dit argument niet. Niet alleen omdat voor het overgrote deel van de faillissementen geldt dat de gefailleerde een rechtspersoon is, die als gevolg van het faillissement ophoudt te bestaan (art. 2:19 lid 1 sub c BW) en dus geen nakoming meer kan vorderen. Alleen indien de gefailleerde een natuurlijke persoon is of een rechtspersoon bij wie het faillissement eindigt door een akkoord zou dit aan de orde kunnen zijn. Daarbij komt dat de wederpartij wel de mogelijkheid heeft tot ontbinding van de overeenkomst over te gaan, in welk geval niet meer hoeft te worden gevreesd voor een nakomingsvordering.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37, en de alinea staat in dat document op bytes 58010 tot 59316.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37 | shasum -a 256