Citaat | Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Onder 2.23 Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 9 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:921.
Ter onderbouwing van het standpunt dat de curator bij niet-gestanddoening van een overeenkomst het recht verliest om nakoming te vorderen van een tegenprestatie van de wederpartij voor reeds vóór de datum faillissement door de schuldenaar verrichte prestatie, wordt in de derde plaats aangevoerd dat partijen er bij het sluiten van hun contract ervoor kunnen kiezen vast te leggen dat in geval van faillissement van een der partijen beide partijen het recht hebben de overeenkomst te ontbinden of dat de overeenkomst in dat geval ontbonden is. Het probleem doet zich dan niet voor. Datzelfde kan gezegd worden in de vaak voorkomende situatie dat de curator een nieuwe overeenkomst sluit met de wederpartij, waarbij opnieuw bezien en vastgelegd wordt welke prestaties wel en niet nog nagekomen gaan worden. Naar mijn mening is dit niet echt een argument voor de gekozen uitleg van art. 37 Fw, het is eerder een relativering van de consequenties van de gevolgen. Het legt dan ook verder geen gewicht in de schaal.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37, en de alinea staat in dat document op bytes 72977 tot 74080.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8233587397c2aae8b56f9d834e0eb8cd37c1f07c560c894abce4dd1d2337ba37 | shasum -a 256