Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016

Onder 3.20 Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:926.

Ten overvloede merk ik op dat CTAC m.i. belang mist bij haar klachten tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de redelijke termijn van art. 37 Fw. Immers, een zodanige termijn sterkt ertoe de wederpartij zoals CTAC een mogelijkheid te geven om een einde te maken aan de onzekere situatie waarin zij niet weet of de curator de overeenkomst wil nakomen. Verklaart de curator niet binnen een redelijke termijn dat hij de overeenkomst wil nakomen, dan leidt dat niet tot automatische gestanddoening, maar juist tot het verlies van het recht van de curator om nakoming van de wederpartij te vorderen. Met andere woorden: van gestanddoening ex art. 37 Fw kan enkel sprake zijn indien de curator daartoe een verklaring doet uitgaan; het al dan niet gesteld zijn van een termijn, of het ongebruikt verstrijken daarvan is hierop niet van invloed. Ook als de rechtbank dus in het onderhavige geval had geoordeeld dat de redelijke termijn wél was verstreken, dan had dat op zichzelf nog geen gevolgen gehad voor de beantwoording van de vraag of Curatoren jegens CTAC hebben verklaard de overeenkomsten gestand te zullen doen. Tegen de ontkennende beantwoording door de rechtbank van die vraag kwam onderdeel 2, zoals hiervoor bleek, al tevergeefs op.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/de75b31fd3e024c85381041f3f835cf9ff0a8775625827e76610331784544634. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt de75b31fd3e024c85381041f3f835cf9ff0a8775625827e76610331784544634, en de alinea staat in dat document op bytes 59518 tot 60949.