Citaat | Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016

Onder 3.10 Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:930.

De wijze waarop het hof de voorziening onder 5.3, óók voor zover zij verband hield met de onder 5.1 vervatte veroordeling van FNI tot opheffing van het conservatoire derdenbeslag, heeft herschreven, lijkt mij overeen te stemmen met hetgeen de voorzieningenrechter kennelijk met die voorzieningen heeft bedoeld. Naar de letter genomen verplichten de onder 5.1 en 5.3 getroffen voorzieningen FNI tot het opheffen van het conservatoire derdenbeslag binnen één week na de betekening van het vonnis, maar alleen in het geval dat Blaimont alternatieve zekerheid heeft gesteld. Het verstrijken van een termijn van één week na de betekening van het vonnis is derhalve zonder betekenis, zolang voorafgaande alternatieve zekerheid ontbreekt. Mogelijk heeft de voorzieningenrechter voor ogen gestaan dat Blaimont eerst tot betekening zou overgaan zodra zij alternatieve zekerheid zou hebben gesteld (in welk geval FNI één week zou hebben gehad om het conservatoire derdenbeslag op te heffen), maar dat is niet het traject dat Blaimont heeft gevolgd. Blaimont heeft het kort-gedingvonnis van 23 december 2014 reeds op 30 december 2014 aan FNI doen betekenen ; naar ik uit de stukken afleid is het conservatoire derdenbeslag op 20 februari 2015 (te 13:08 uur) opgeheven, nadat de notaris ten overstaan van wie de hypotheekakte op 11 februari 2015 was verleden, partijen op 13 februari 2015 (te 9:52 uur) had bericht dat de hypotheek (die als alternatieve zekerheid diende) rechtsgeldig was gevestigd (in die zin dat de inschrijving als eerste hypotheek had plaatsgevonden) . Wat er van dit alles zij, zoveel is duidelijk dat óók naar de bedoeling van de voorzieningenrechter het stellen van alternatieve zekerheid aan de opheffing van het conservatoire derdenbeslag vooraf dient te gaan en dat óók naar de bedoeling van de voorzieningenrechter aan FNI een redelijke termijn voor die opheffing, te rekenen vanaf het moment waarop FNI weet waaraan zij toe is, behoort te worden gegund. Daarbij acht ik het niet te gewaagd te veronderstellen dat de door het hof gekozen (en in de opzet van de voorzieningenrechter in het dictum onder 5.1 reeds gehanteerde) termijn van één week (in de opzet van het hof te rekenen vanaf het stellen van de alternatieve zekerheid) volledig met de bedoelingen van de voorzieningenrechter spoort. Aldus beschouwd heeft het hof de als uitvloeisel van de (gedeeltelijke) gegrondbevinding van de derde grief van Blaimont ingezette herschikking van de door de voorzieningenrechter onder 5.3 getroffen voorziening ook doorgezet voor zover zij met de voorziening onder 5.1 verband hield, en wel op een wijze die aan de strekking van de desbetreffende voorziening van de voorzieningenrechter niet toe- of afdeed.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/4efdff4aefea9c55c2e30b43ad21991fa8c7712c60186a5b8bf4c494303012bc. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 4efdff4aefea9c55c2e30b43ad21991fa8c7712c60186a5b8bf4c494303012bc, en de alinea staat in dat document op bytes 53228 tot 56100.