Citaat | Parket bij de Hoge Raad 23 september 2016
Onder 3.21 Parket bij de Hoge Raad 23 september 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:938.
In de eerste plaats kan gedacht worden aan de situatie dat de schuldenaar in de procedure is verschenen en (niet het feit van ontvangst, maar wel) het moment van de ontvangst van de veertiendagenbrief specifiek betwist. In dat geval zal de schuldeiser het ontvangstmoment moeten bewijzen (zie bij 3.12). Daarvoor geldt mutatis mutandis hetgeen hierboven werd opgemerkt.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/ec7241d4d17263fb9458de9f528c853c7bb07f3e22b385e1a757f16f82817652. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt ec7241d4d17263fb9458de9f528c853c7bb07f3e22b385e1a757f16f82817652, en de alinea staat in dat document op bytes 47896 tot 48278.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/ec7241d4d17263fb9458de9f528c853c7bb07f3e22b385e1a757f16f82817652 | shasum -a 256