Citaat | Parket bij de Hoge Raad 20 september 2016

Onder 7.9 Parket bij de Hoge Raad 20 september 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 20 september 2016, ECLI:NL:PHR:2016:970.

In belanghebbendes zaak gaat het vooral om het tweede essentialium van de huurovereenkomst, de tegenprestatie. De vraag is of de door de bewoonsters betaalde maandelijkse bijdragen als tegenprestatie voor het in gebruik verstrekken van een woning zijn aan te merken in de zin van art. 7:201 BW. Uit de jurisprudentie van uw eerste kamer volgt een aantal criteria voor het aannemen van een dergelijke tegenprestatie. De tegenprestatie moet (uitsluitend) staan tegenover het in gebruik verstrekken van een woonruimte. Zij bestaat gewoonlijk in de betaling van huurpenningen, maar kan volgens vaste rechtspraak ook de vorm aannemen van een andere verplichting die de gebruiker op zich neemt jegens de ingebruikgever. Wel moet de tegenprestatie ingevolge art. 6:227 BW voldoende bepaalbaar zijn. Of dat het geval is, is in beginsel een feitelijk oordeel waar u niet over gaat. Aan de jurisprudentie van uw civiele kamer ontleen ik de volgende voorbeelden van (voldoende bepaalbare) tegenprestaties: het verrichten van arbeid, de verzorging van de verhuurders door de huurder, 15% bruto recette van een filmvoorstelling en de verplichting om vanuit ter beschikking gestelde benzinestations enkel producten van de wederpartij te verkopen.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/fcc2dea28fed9c02262812c3d40512dbd287406f92c018d4b87c83418ed130b9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt fcc2dea28fed9c02262812c3d40512dbd287406f92c018d4b87c83418ed130b9, en de alinea staat in dat document op bytes 134484 tot 136113.