Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016

Onder 3.5. Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:979.

Ingevolge art. 361 lid 3 Sv kan de rechter, indien hij van oordeel is dat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, ambtshalve dan wel op verzoek van de verdachte of de officier van justitie bepalen dat de vordering (geheel of deels) niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering (in zoverre) slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Een dergelijk oordeel van de rechter betekent in elk geval in de regel dat hij niet toekomt aan een inhoudelijk onderzoek van de vordering en dat hij zich dus geen oordeel vormt over (i) de toewijsbaarheid van de vordering, in die zin dat deze betrekking heeft op schade die als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde is geleden (art. 51f lid 1 en art. 361 lid 2 onder b Sv), en (ii) de vaststelling van het bedrag van het toewijsbare gedeelte van de vordering.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8b01196d9afdc43dbae6f82b39cf979eaf5b1c8556fe83c745b4f0e0d1577398. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8b01196d9afdc43dbae6f82b39cf979eaf5b1c8556fe83c745b4f0e0d1577398, en de alinea staat in dat document op bytes 17686 tot 18602.