Citaat | Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016
Onder 3.18. Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016
Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 30 augustus 2016, ECLI:NL:PHR:2016:979.
De vraag is wat rechtens is als het faillissement van de verdachte na de behandeling van zijn strafzaak in eerste aanleg, maar vóór of tijdens de behandeling van de strafzaak in hoger beroep op de voet van art. 16 Fw wordt opgeheven. Kunnen de benadeelde partijen die zich in hoger beroep opnieuw in het strafgeding hebben gevoegd met de vordering waarin zij in eerste aanleg op de voet van art. 26 jo art. 110 Fw niet-ontvankelijk zijn verklaard omdat de verdachte in staat van faillissement verkeerde, alsnog worden ontvangen in hun vorderingen? Maakt het daarbij verschil of die vorderingen ten tijde van het faillissement ter verificatie bij de faillissementscurator zijn ingediend? Ik zou menen dat de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord nu het beletsel om de benadeelde partijen in hun vorderingen te ontvangen, is komen te vervallen. Ik zou voorts menen dat het daarbij geen verschil maakt of die vorderingen al dan niet ter verificatie zijn ingediend en in die zin in het faillissement zijn ‘meegenomen’. Voorwaarde is uiteraard wel dat de desbetreffende vordering in eerste aanleg moet zijn ingediend. Dat is zuur voor de benadeelde partij die vanwege het faillissement van de verdachte ervan afzag zich in eerste aanleg met zijn vordering in het geding te voegen.
Zelf controleren
Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/8b01196d9afdc43dbae6f82b39cf979eaf5b1c8556fe83c745b4f0e0d1577398. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 8b01196d9afdc43dbae6f82b39cf979eaf5b1c8556fe83c745b4f0e0d1577398, en de alinea staat in dat document op bytes 33254 tot 34559.
$ curl -s https://bron.page/api/v1/blobs/8b01196d9afdc43dbae6f82b39cf979eaf5b1c8556fe83c745b4f0e0d1577398 | shasum -a 256