Citaat | Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Onder 3.9 Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 7 oktober 2016, ECLI:NL:PHR:2016:987.

“(…) Artikel 7.15.3 betreft de vraag in hoeverre bij overeenkomst, met name een vaststellingsovereenkomst, dwingend recht opzij kan worden gezet. Duidelijk is dat daarbij grote terughoudendheid past. Het gaat hier immers om bepalingen die de burger of bepaalde belangen van algemene aard beogen te beschermen en waarvan daarom in beginsel juist niet bij overeenkomst kan worden afgeweken. In het voetspoor van enkele arresten van de Hoge Raad is geoordeeld dat als zich reeds concrete moeilijkheden hebben voorgedaan doordat een geschil of althans een onzekerheid die tot een geschil kan uitgroeien, is ontstaan, binnen bepaalde grenzen het belang dat partijen zelf dit geschil of die onzekerheid definitief moeten kunnen beëindigen, het zwaarst moet wegen. Deze rechtspraak is onlangs nog eens bevestigd in HR 5 april 1991, NJ 1992, 244, betreffende een verzekering. Men denke ook aan tussen partijen gerezen verschillen of vragen betreffende een arbeidsovereenkomst, een huurovereenkomst van woonruimte of bedrijfsruimte of over de geldigheid van een bepaald beding in algemene voorwaarden. Over een dergelijk reeds gerezen geschil of een reeds gerezen vraag moeten partijen het eens kunnen worden, ook al komen zij aldus tot een uitleg of toepassing van een dwingende wetsbepaling die naderhand onjuist blijkt.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/1db60efb7795ec678cc29fbc39d4e452689c9f616e00061c3e228fcfa5f089e9. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 1db60efb7795ec678cc29fbc39d4e452689c9f616e00061c3e228fcfa5f089e9, en de alinea staat in dat document op bytes 40315 tot 41646.