Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016

Alinea 104 Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:99.

Gezien haar medische toestand en GCS score op het moment dat zij door de hulpverleners werd aangetroffen, achten wij de kans groot dat er bij het slachtoffer sprake was van een zeer geringe registratie en inprenting van de gebeurtenissen die zich afspeelde tijdens de EHBO verrichtingen. In vergelijking met haar herinneringen aan de gebeurtenissen voorafgaande aan het delict menen wij dat haar waarnemingen van wat zich afspeelde ten tijde van de EHBO verrichtingen (waarbij ze verdachte [verdachte] in de rol van ‘hulpverlener’ zou hebben kunnen zien) slechts gebrekkig of in geheel niet zijn opgeslagen. Het scenario van een accurate gezichtsherkenning op basis van een interactie tussen slachtoffer en dader voorafgaande aan het delict wordt waarschijnlijker geacht dan het scenario van onbewuste overdracht dat betrekking heeft op de periode waarin het slachtoffer bijkomt uit een toestand van bewusteloosheid.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/690a00694f31bc1eafeddd137301129975bdf3c299c98d42752ef80a0f6e7080. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 690a00694f31bc1eafeddd137301129975bdf3c299c98d42752ef80a0f6e7080, en de alinea staat in dat document op bytes 57341 tot 58274.