Citaat | Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016

Alinea 120 Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016

Een alinea uit Parket bij de Hoge Raad 5 januari 2016, ECLI:NL:PHR:2016:99.

27. De klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op de stelling dat verdachte alcoholhoudende drank had genuttigd, terwijl de dader volgens de aangeefster geen alcoholhoudende drank had genuttigd, faalt ook. Het hof heeft geen verklaring van de aangeefster in die zin voor het bewijs gebruikt, maar heeft in dat verband alleen haar verklaring tot bewijs gebezigd voor zover die inhoudt dat zij “niet dacht” dat de dader dronken was en dat ze “niet heeft gemerkt” of de man iets gedronken had. Die verklaringen sluiten niet uit dat de dader wellicht wel alcoholhoudende drank had gedronken. De één kan immers beter tegen alcohol dan de ander. Anderzijds zal niet iedereen even snel zien of merken dat een ander (veel) alcohol heeft gedronken, terwijl het hier bovendien ging om een voor de aangeefster stressvolle situatie hetgeen haar waarnemingen wellicht enigszins heeft beïnvloed. Nu niet zonder meer blijkt dat sprake is van een discrepantie tussen genoemde stelling van de verdediging en hetgeen het hof heeft vastgesteld was het hof niet gehouden op die stelling gemotiveerd te reageren. Bovendien blijkt niet dat de omstandigheid dat de dader wellicht had gedronken door het hof van (groot) belang is geacht voor de bewijsconstructie.

Zelf controleren

Voor dit citaat hoeft niemand Bron op zijn woord te geloven. Het document dat rechtspraak.nl publiceerde, staat op https://bron.page/api/v1/blobs/690a00694f31bc1eafeddd137301129975bdf3c299c98d42752ef80a0f6e7080. Wie het ophaalt en de SHA-256 ervan berekent, krijgt 690a00694f31bc1eafeddd137301129975bdf3c299c98d42752ef80a0f6e7080, en de alinea staat in dat document op bytes 65970 tot 67238.